Location: Home > F_I > Hector 1958 - 1983 > 1958  Berging Nyon

1958  Berging Nyon

BETER EEN HALF El DAN ...

In de vroege avond van zaterdag 15 november 1958 liep het in ballast varende Zwitserse motorschip "NYON" (5058 ton) in een dichte mist op de scherpe Meg Watson Rock bij St. Abb's Head aan de Schotse oostkust. Het voorschip werd ernstig beschadigd en aan vlotbrengen kon zeker niet eerder worden gedacht, dan nadat de gaten met cement waren gedicht. Twee Engelse sleepboten van de Tyne waren spoedig in de nabijheid, maar kapitein Frederich Klein wenste krachtiger zeesleepboten en meer bergingsmateriaal. Hij verzocht op zondagmorgen 16 november om twee bergingssleep-boten, waarop zowel de "Simson" als de "Hector" naar de strandingsplaats werden gestuurd. Per vliegtuig waren intussen de kapiteins M. de Koe en H. v.d. Burg naar Engeland vertrokken. Uit het kleine vissershaventje van St. Abb's Head voeren beide kapiteins met een visserscheepje naar de "Nyon". Maandagmiddag 17 november, 's middags om half drie stonden zij aan boord en werd de toestand opgenomen. Met kapitein Klein werd de situatie, waarin de "Nyon" verkeerde, opgenomen. Tot achter de brug lag het schip geboeid op de rotsen. Het water stond daar in de ruimen even hoog als buiten. Het achterschip lag echter vrij en in tamelijk diep water. De sleepboten zouden daar langszij kunnen komen. Inmiddels werd aan boord hard aangepakt. Met de kleine kotter "Emulale" werd uit St. Abb's negen ton cement aangevoerd en ook via het ijlings opgetrokken wippertoestel tussen de rotsen en het schip werden zakken cement aangevoerd. De reddingboot was voortdurend paraat om eventueel op te treden, wanneer dit nodig mocht zijn bij slechter wordend weer. Ook 's nachts werd in het felle schijnsel van zoeklichten verder gewerkt. Maandagavond kwamen de sleepboten "Simson" en "Hector" bij de "Nyon" aan en werd onmiddellijk begonnen met het overnemen en opstellen van de pompen. De sleepboot "Hector" en ook de twee Engelse boten, de "George V" en de "Beamish" maakten vast op het achterschip en begonnen bij hoog water te trekken. De pompen werden op de ruimen l en 2 in werking gesteld, maar er was niet op te pompen tegen het binnendringende water. Met afgaand tij liep het water weg, maar toen was ook waar te nemen hoe de scherpe rotspunten door de huid heen staken. Men zette het er op met meer pompen en nog meer cement door te werken. Dinsdag 18 november stonden er in totaal 18 pompen op de "Nyon". waarbij twee yetpompen met een capaciteit van 360 ton elk. Het water week niet. Het schip werkte hevig op de rotspunten, nieuwe gaten ontstonden en op plaatsen, waar de gaten met cement waren gedicht, brak het cement af.

Doorbranden?

DIE AVOND van de achttiende november werd besloten om het schip door te branden. Het was wel duidelijk, dat de "Nyon" niet geheel was te bergen. Zou er slechter weer opsteken, dan was de kans groot, dat de Zwitser zou breken — er was al een vouw midscheeps ontstaan — en het gehele schip verloren zou gaan.
Alle voorbereidingen werden getroffen om het schip voor de dieptank achter de brug door te branden. Tientallen flessen zuurstof werden door de sleepboten naar de "Nyon" gebracht en de ploeg lassers uit IJmuiden werd aangevuld met zes branders uit de Engelse havenplaats Leith. DAG EN NACHT werd doorgewerkt.
De bemanning van de "Nyon" kreeg opdracht van kapitein Klein om de bagage te pakken. En op vrijdag gingen 23 van de 32 opvarenden met de redding-boot van boord naar de wal. De pompen werden van het voorschip weggenomen en bij het waterdichte schot ter hoogte van de plek, waar de "Nyon" bij de vouw zou worden doorgebrand, werden door de lassers stutten voor versterking aangebracht. Vrijdag werden ook steunen tegen het schot van de dieptank gelast, daar de vrees bestond, dat ook dit gedeelte van het schip zou gaan lekken. Wat het weer betreft bleef het geluk aan de kant van de bergers. Besloten werd nog een lading van ruim 60 flessen zuurstof voor de snijapparaten aan boord te halen, zodat voor het doorbranden van de "Nyon" 120 flessen op het schip waren. Op het voorschip, dat met de brug op de rotsen zou worden achtergelaten, werd ook hard aangepakt. De navigatieapparatuur werd gedemonteerd en echolood. radio, richtingzoeker en andere waardevolle instrumenten werden opgeslagen in de hutten op het achterschip. Ook materiaal uit de voorpiek. zoals trossen en verf werden naar achteren verstouwd.

OP ZATERDAG 22 november werd begonnen met het doorbranden van de "Nyon". Wanneer de operatie zou slagen, zou meer dan de helft van het schip - de kostbaarste helft met de machinekamer — behouden kunnen worden.
Terwijl de branders aan de slag gingen zo laag mogelijk te snijden — de top-plaat van tank 3 ging het eerst door — begonnen andere leden van ons personeel met het afbranden en dichtlassen van de pijpen in de pijpentunnel. Ook daar werd het schip met steunen versterkt. De sleepboten bleven vasthouden op het achterschip en bij elk hoogtij werd nu weer getrokken, terwijl de reddingboot stand-by hield. Pompen werden in de machinekamer geplaatst om eventuele lekkage in deze contreien op te vangen.
Het werd zondag 23 november. Van ruim 2 was de toptank nu geheel doorgebrand en op het moment, dat behalve de kapitein, de marconist, de eerste machinist en de eerste stuurman, de rest van de opvarenden van de "Nyon" van boord gingen, was men bezig het schip ook aan de zijkanten door te branden. Zondagmorgen om kwart voor elf was het zover: de "Nyon" was doormidden, uitgezonderd de vloer, die nog zou moeten scheuren. De sleepboten voerden de slagen op tot volle kracht en gierden van bak- naar stuurboord en terug. Via de mobilofooninstallatie had men verbinding met elkaar.

DE SLEEPBOTEN, het hoogwater en . . dynamiet moesten nu van maandag 24 november af de rest van het werk doen. Bij laag water was er al bijna een meter ruimte tussen de dekken van het voor- en het achterschip. Een van de sleepboten werd naar een haven gestuurd om springladingen en een honderdtal zakken zand, die de ladingen moesten bedekken, op te halen. Op dit punt werd de volle medewerking verkregen van de Britse Admiraliteit in Rosyth. Bij laag water werd die maandag doorgegaan met het doorbranden. Zover men er bij kon bij laag water, werd er gebrand in de stalen platen.

Er volgden na die maandag drie dagen, waarop bij elk laagwater springladingen op het bodemvlak van het schip tot explosie werden gebracht. De springstoffen en het zand waren dinsdagmorgen, 25 november aan boord gebracht. Bij laag water liet men de zakken zand en de springladingen in het ruim zakken. De eerste vier explosies volgden die dinsdagavond. In het achterschip kwam al meer beweging. Bij het peilen kwam men tot de conclusie dat de beide helften nog aan bakboordszijde op de bodem aan elkaar vastzaten. Aan stuurboordskant stak het dek van het achterschip al een halve meter boven dat van het voorschip uit.
De sleepboten bleven heen en weer gieren. Opnieuw werden springladingen aangebracht om de bodemplaten aan stukken te scheuren. Woensdag 26 november ging dit werk door. De assistentie van de sleepboten "Noord-Holland" en "Stentor" werd ook ingeroepen, maar de hulp en kracht van deze schepen zou niet meer nodig zijn.
Nadat op donderdag 27 november zware springladingen aan bakboordskant op het bodemvlak waren aangebracht en tot explosie gebracht schenen de twee helften nog te blijven vastzitten. De vier sleepboten met totaal 4400 pk. bleven echter doorsjorren. En dit had succes. Om kwart over vijf: "Het schip gaat aan stuurboord verder open". Dan om vijf minuten voor zes een kreet: "Hij breekt!". Ook aan bakboordskant kwam het schip open.
De "Hector" gooide de "Simson" los en de "George V" de "Beamish", opdat deze twee sleepboten gemakkelijker zouden kunnen manoeuvreren. De "Nyon" werd in dieper water getrokken en bleef daarbij keurig recht op liggen. Direct werden alle tanken gepeild. Alles bleef droog.
Nog diezelfde avond werd koers gezet in de richting van de Tyne om de halve "Nyon" in de haven van North Shields binnen te brengen en in het dok te plaatsen.
Vrijdagmorgen om half tien zat het werk erop. De halve "Nyon" lag aan Smiths Dock. Zaterdagmiddag 29 november keerden de sleepboten "Simson" en "Hector" in IJmuiden terug. Een lastige job was — de omstandigheden in aanmerking genomen — naar zo groot mogelijke tevredenheid geklaard.

HET LOT VAN DE HALVE "NYON"

Het Zwitserse vrachtschip "Nyon", waarvan het waardevolle achterschip in november door de sleepboten "Simson" en "Hector" bij St. Abb's Head aan de Schotse kust kon worden geborgen, is begin februari weer in het nieuws geweest. Bekend werd, dat de rederij, de Transports Maritimes Suisse Outremer te Genève had besloten het schip te laten herstellen en het tevens te laten vergroten, zodat het aan draagvermogen ongeveer vijf honderd ton zal winnen. De bouw van het nieuwe voorschip en de brug werd bij inschrijving gegund aan N.V. Boele's Scheepswerven en Machinefabriek te Bolnes.

De "Nyon" was echter geen gelukkig schip nadat ze voorzien was van een nieuw voorschip bij Bolnes kwam ze weer in de vaart.
Maar op 15 juni 1962 kwam ze in aanvaring met een ander schip en zonk op 5 mijl ten Zuiden van Beachy Head, Engeland.