Location: Home > O-S > Sepiola1964 - 1973 > Geschiedenis

Geschiedenis

<spanstyle="font-family: Tahoma;">De "Sepiola" behoorde tot een serie van twee motorloggers die tijdens de tweede wereldoorlog zijn besteld door rederij Arie van der Zwan & Zn in Scheveningen bij scheepswerf A. Vuyk & Zn in Capelle aan de IJssel. Bouwjaar 1940, Lengte 35,45 m, breedte 6,84 m, diepgang 2,99 m, bruto 185 ton.

Beide motorloggers zijn door de Duitsers in beslag genomen.

Na de oorlog werden de schepen weer terug gevorderd en een van de twee motorloggers werd in 1947 verbouwd op de Rijkswerf in Den Helder, tot betonningsvaartuig en werd uitgerust met een 450 Ipk Industrie-motor.

Verder werd het schip uitgerust met een boom van 13 ton.

En kwam in de vaart als betonningsvaartuig "Delfzijl", en was werkzaam vanuit de haven van Terschelling.

Het zusterschip is na de oorlog wel als visserij schip in de vaart gekomen en wel als "SCH 6 Alida" voor genoemde rederij Arie van der Zwan & Zn in Scheveningen.

Vrijdag 12 februari 1954 ondernam de "Delfzijl" een poging om door het ijs heen vanuit de haven van Terschelling de haven van Harlingen te bereiken.

De "Delfzijl" kwam op de Waddenzee weinig ijs tegen. Drie loodsen maakten de reis mee aan boord van de "Delfzijl". In de haven van Harlingen lagen enkele kustvaarders, die hun reis naar buiten wilden aanvangen.

Een aantal inwoners van Terschelling, die in Harlingen waren gestrand, konden van de gelegenheid gebruik maken, om de aan boord van de "Delfzijl" de terugreis naar het eiland te kunnen maken.

De "Delfzijl" zou op 17 december 1955 een wrakboei gaan leggen op de positie 53.33.42 Noord en 5.37.24 Oost, benoorden Ameland, waar het Engelse motorschip "Victoria-City"(1954 – 6.662 Brt.) op 14 december 1955, na een aanvaring, was gezonken.

Op de positie van de gezonken "Victoria-City", trof de "Delfzijl" daar een motorsloep aan van de "Victoria-City". De sloep is aan de strandvonderij op Terschelling overgedragen.

Het vissersschip "Bruinisse 6" van schipper J. v.d. Berg liep op dinsdag 10 maart 1959, terwijl de bemanning onder Terschelling aan het werk was, aan de grond.

Het anker van de "Bruinisse 6" drong daarbij door de boeg, waardoor de "Bruinisse 6" water maakte. De opvarenden hadden dit niet direct gemerkt.
Zij waren, daar de "Bruinisse 6" onmiddellijk na het vastlopen weer vlot was gekomen, doorgegaan met hun bezigheden.

De "Bruinisse 6" maakte water en helde naar voren over. Een onderzoek wees uit, wat er was gebeurd. Een paar in de buurt varende vissersschepen werden gealarmeerd en schoten te hulp. Door staaldraden onder de zinkende "Bruinisse 6" door te trekken, slaagde zij er in de "Bruinisse 6" drijvende te houden.

Hangend tussen twee vissersschepen in werd de "Bruinisse 6" naar Terschelling gebracht.

Een van de redding brengende vissersschepen, de "Harlingen 18", kreeg bij het drijvend houden van de "Bruinisse 6" een staaldraad in de schroef.

Het betonningsvaartuig "Delfzijl" bracht uitkomst. De bemanning hiervan trok met een lier het achterschip van de "Harlingen 18" omhoog, waarna de staaldraad verwijderd kon worden.

Dinsdag 13 november 1962 zonk het Turkse vrachtschip "Kütahya"(1949 – 3.113 Brt.), na in dichte mist te zijn aangevaren door het Duitse vrachtschip "Spreewald"(1951 – 5.064 Brt.) op 10 mijl ten Noorden van Terschelling.

Het betonningsvaartuig "Delfzijl" heeft een wrakboei op de plaats, waar de "Kütahya" is gezonken, gelegd, aangezien het wrak midden in de ET-route ligt en een gevaar vormt voor de scheepvaart.

 
In de eerste helft van mei 1962 is van de lichtboei S.G. 2, in het Schuite gat onder Terschelling, de ketting waarschijnlijk achter een wrak gaan haken, waardoor de boei bij hoog water onder water wordt getrokken, hetgeen groot gevaar voor de scheepvaart oplevert.

Het betonningsvaartuig "Delfzijl" is op woensdag 9 mei 1962 vele uren bezig geweest om een en ander in orde te brengen, doch het lukte niet de ketting vrij te maken.

Toen zorgde de boei zelf voor een radicale oplossing Bij het volgende hoogtij trok de ketting namelijk kapot. Met het aanbrengen van een nieuwe ketting was het euvel toen verholpen.

1963

Begin januari 1963 heeft de aanhoudende vorst de vaargeul Zuiderstortemelk in de Noordzee in een ijs-woestenij herschapen. Door de betonningsvaartuigen "Waddenzee" en "Delfzijl" van Terschelling werden daarom op donderdag 3 januari 1963 de lichtbakens weggesleept. Het was sinds mensenheugenis nog niet voorgekomen, dat de Noordzee ter hoogte van het Zuiderstortemelk is dichtgevroren.

Begin januari 1963 melden tientallen schepen, die via de ET-route varen, via Radio Scheveningen dat de routeboei ET 5 bij de Eierlandse gronden ten westen van Vlieland niet meer brandde. Dit kon voor de scheepvaart grote moeilijkheden opleveren. Buiten de ET-route varen is namelijk levensgevaarlijk. Deze route is, zoals bekend, de na 1945 geveegde mijnengeul van Callandsoog (Noord-Holland) tot aan het Huibertgat benoorden de oostelijke punt van Schiermonnikoog.

Het betonningsvaartuig "Delfzijl" van Terschelling voer door een zware ijsmassa van het Zuider Stortemelk en slaagde er op 9 januari 1963 in het licht weer te ontsteken.

Begin januari 1963 begint op de Waddeneilanden met uitzondering van Texel, dat nog steeds goed per boot bereikbaar is, begint het leven, echt moeilijk te worden.

Zelfs de voorspelde hogere temperatuur kan daarin voorlopig geen verandering brengen. Kruiend ijs zal dan de vaart weer onmogelijk maken.

Wel heeft de kleine kustvaarder "Limpfjord"(187 Brt.). zaterdag Terschelling nog bereikt na een martelende tocht. Het schip raakte voor Terschelling uit de koers en dreigde onder lager wal te verdagen. Het betonningsvaartuig "Delfzijl" schoot de "Limpfjord" te hulp. De "Delfzijl" zette een loods over en brak het dichtgevroren Schuitengat open zodat de "Limpfjord" de haven van Terschelling kon bereiken.

„IJS, IJS EN NOG EENS IJS. Je wordt er raar van." Dit zeiden de opvarenden van het betonningsvaartuig Delfzijl uit West-Terschelling op 21 januari 1963, toen ze moesten uitvaren om te proberen bij tien graden vorst en in zwaar aan gevroren drijfijs orde te scheppen in de betonning van de ET-route op de Noordzee.

Deze route, die loopt vanaf Callandsoog tot aan het Huibertgat benoorden de oostelijke punt van Schiermonnikoog, is praktisch onbevaarbaar geworden. Niet alleen door de ijs-gang, maar ook vanwege het mijnengevaar


Het betonningsvaartuig "Delfzijl" dat tot voor kort op Terschelling gestationeerd was, en enkele weken in Harlingen aan een der windschermen langs de Zuiderpier gemeerd lag, is eind mei 1964 aan bureau Wijsmuller uit IJmuiden verkocht.

 

De "Delfzijl" heeft op maandag 1 juni 1964 een bemanning aan boord gekregen en water ingenomen.

Op 2 juni 1964 arriveerde de "Delfzijl" als "Sepiola" vanuit de haven van Harlingen in de haven van IJmuiden.

Augustus en september 1964 was de "Sepiola" bij de scheepswerf Welgelegen in Harlingen voor verbouwingen.

Onder andere werden er op de boeg hieuw rollen aangebracht zodat de "Sepiola" een hefvermogen van 30 ton, over de boeg, kreeg.

Het laad gerei werd vernieuwd en aan dek werd een nieuwe winch geplaatst en er werd aan boord een werkplaats ingericht met diverse machines.

13 Oktober 1964 kwam de de "Sepiola" vanuit Harlingen weer aan in de haven van  IJmuiden en werd in dienst genomen als bergingsvaartuig.

De "Sepiola" werd onder andere ingezet bij het plaatsen van ankers en boeien voor de kraan- hef eilanden "Lepelaar" en "Kraanvogel" in de havenmond van IJmuiden.

In de nacht van 28 op 29 oktober 1964 brak er een felle brand uit in een van de ruimen van het met kopra geladen vrachtschip "H.O.S. Tjokroaminoto"(1961 – 7.332 Brt.) in de haven van Amsterdam.

Bureau Wijsmuller kreeg op 29 oktober 1964 het verzoek tot assistentie bij de brandbestrijding.
 
De "Stentor" en "Nestor" vertrokken naar Amsterdam en namen vanaf 9.30 uur op 29 oktober 1964 deel aan de bluswerkzaamheden.

De "Sepiola" werd in IJmuiden uitgerust met een 20 tal pompen met slangen, verdeelstukken, straalpijpen en allerlei materiaal voor bestrijding van de brand en de gevolgen hiervan en arriveerde op 29 oktober 1964 om 13.00 bij de "H.O.S. Tjokroaminoto".

30 oktober 1964 was de brand bedwongen en werd begonnen om de "H.O.S. Tjokroaminoto" droog te pompen zodat het schip gelost kon worden.

6 november 1964 kon de "H.O.S. Tjokroaminoto" op sleeptouw worden genomen naar de kade om gelost te worden en half november werd de "H.O.S. Tjokroaminoto" opgenomen in het dok van de NDSM voor inspectie.

De "Hector" vertrok op 15 november 1964 naar zee om van de "Titan" het radioschip "Norderney", die tijdens een Wester storm windkracht 7 van de ankers was gebroken, over te nemen en deze gedurende het slechte weer gaande te houden voor de Nederlandse kust.

19 november 1964 bracht de "Sepiola" nieuwe ankers en ankerkettingen naar het zendschip "Nordeney" die op 15 november 1964 haar ankers tijdens slecht weer had verspeeld en op drift was geslagen. Het opnieuw voor anker brengen van de "Nordeney" werd uitgevoerd door de "Sepiola" en de "Hector".

Hierna was de "Sepiola" in november 1964 druk met het verplaatsen van de ankers en de boeien van de kraan-hef eilanden "Lepelaar" en "Kraanvogel" in de havenmond van IJmuiden, en met wrak opruimings- werkzaamheden in de havenmond van IJmuiden.

Op 24 november 1964 strandde de "Santa Kyriaki" op de kust nabij IJmuiden. Een week later, op 30 november werd de taak om de "Santa Kyriaki" te bergen toevertrouwt aan N.V. Bureau Wijsmuller, op basis van Lloyd's Open Form. Begin december 1964 begon men met deze moeilijke bergings klus, de "Santa Kyriaki" lag 40 meter van de vloedlijn hoog op het strand, onder leiding van kapitein Ab Broek, het zou zijn laatste opdracht worden, want na deze klus wachtte hem een welverdiend pensioen.

Men begon met het graven van een bassin, waarin de "Santa Kyriaki" zo'n drie meter moest zakken, waarna de "Santa Kyriaki" 60 graden gedraaid moest worden, parallel met de kust.

Bijna 60.000 m³ zand moest worden verplaatst om dit bassin te graven. Een paar dagen nadat het graven was begonnen, werden grote hoeveelheden bergingsmateriaal naar de bergingsplek gebracht. Twee grond-takels werden uitgelegd met de hulp van het bergingsvaartuig "Octopus" de "Stentor" en "Sepiola" en een sleepkabel werd op de zeebodem klaargelegd voor gebruik. De aannemers en het bergingsteam werkte dag en nacht, om er zeker van te zijn dat het schip met het spring tij op 8 maart gereed zou zijn voor een poging het schip in diep water te trekken.

13 december 1964 werden de ankers en de ankerkettingen van de "Yewcroft", die na  stranding de ankers moest laten slippen, geborgen en weer bezorgd bij de "Yewcroft".

Eind december 1964 vertrok de "Sepiola" naar de Noordzee voor het verrichten van onderzoek ten behoeve van oliewinning.

1965

Januari, februari, maart, april en een deel van mei 1965 verricht de "Sepiola" werkzaamheden ter hoogte van Great Yarmouth - Engeland, ten behoeve van de oliewinning.

22 mei 1965 was de "Sepiola" weer aanwezig in IJmuiden.

De "Sepiola" was in juli 1965 bij diverse werkzaamheden betrokken. Gedurende twee weken werd meegewerkt aan het plaatsen van een SPM boei in volle zee, terwijl begin augustus 1965 een nieuw anker en nieuwe ankerketting werden aangebracht voor de "Norderney", het Veronica-schip ter hoogte van Scheveningen.

Vanaf de "Sepiola" zijn op woensdag 4 en donderdag 5 augustus 1965 op ongeveer 6 mijl ten Noord-Westen van IJmuiden duikers afgedaald naar de Noordzeebodem om een onderzoek in te stellen naar de bergingskansen voor de op zaterdag 24 juli gekapseisde Katwijkse kotter "KW. 219 Jacomina".

Zij troffen de kotter in 17 meter diep water aan, nadat met de Decca- plaatsbepalings- apparatuur van de "Titan" de juiste positie was vastgesteld. Het wrak ligt op bakboordzijde op de zeebodem en bleek nog geheel intact te zijn.

Na het onderzoek van de kotter "KW. 219 Jacomina" ging de "Sepiola" in noordelijke richting om de ligging van de kotter "WR. 47 Wieringen", die in 1963 zonk en waarop de "Octopus" en "Help" haar bergingspogingen wegens invallend slecht weer eind 1963 moesten staken, te controleren. Het hangt af van het resultaat van verdere onderzoekingen bij de "KW. 219 Jacomina" en de "WR. 47 Wieringen" of getracht zal worden beide schepen te lichten.

In de nacht van 15 op 16 augustus 1965 voer de "Titan" uit naar de positie van het Amerikaanse  vrachtschip "Transglobe"(1945 – 7.601 Brt.), die op de Noordzee ter hoogte van Den Helder in aanvaring was geweest met het Amerikaanse vrachtschip "Blue Jacket".

De "Transglobe" liep een groot gat op in ruim 2 en 3, waardoor deze vol water kwamen te slaan.

Begeleid door de "Titan" bereikte de "Transglobe" met slagzij IJmuiden, waar het schip in de Bijleggers- haven voor anker werd gebracht.

Wijsmuller kreeg de opdracht om het grote gat met behulp van een Patch te dichten.

Bij het aanbrengen van de Patch die het gat van de "Transglobe" moest dichten werd de "Sepiola" ingezet.

September 1965 was de "Sepiola" bezig met de voorbereidingen, om de kotter "KW. 219 Jacomina" te lichten.

Ook in oktober 1965 was de "Sepiola" bezig met het voorbereiden van de berging van de "KW. 219 Jacomina".

Bij goed weer werd er in november en december 1965 door de "Sepiola" gewerkt bij de gezonken "KW. 219 Jacomina". Om de berging daarvan voor te bereiden.

1966

Begin januari 1966 werd de "Sepiola" gecharterd door de B.P. en Wimpey, de eigenaren van het in december 1965 gekapseisde booreiland "Sea Gem", voor een onderzoek naar de oorzaak van de ramp.

Begin januari vertrok de "Sepiola" vanuit IJmuiden naar de haven van Grimsby - Engeland, om materiaal en duikers aan boord te nemen wat nodig was om onderzoek te doen bij het booreiland "Sea Gem".

Op 5 januari 1966 vertrok de "Sepiola" vanuit de haven van Grimsby – Engeland naar de positie van het booreiland ter hoogte van Flamborough Head – Engeland.

Eind januari 1966, na afloop van het onderzoek naar het kapseizen van de "Sea Gem", arriveerde de "Sepiola" weer in de haven van IJmuiden.

De "Sepiola" was midden februari 1966 actief bij de berging van de "KW. 219 Jacomina", vanaf de "Sepiola" werden zakken vol polystyreen balletjes in de "KW. 219 Jacomina" geperst\gepompt zodat het wrak weer enig drijfvermogen kreeg en het voor de "Octopus" mogelijk werd haar verder naar de oppervlakte te halen.

Eind februari 1966 moest de "Sepiola" de ankers en ankerkettingen van het radioschip "Mi Amigo" bergen nadat de "Mi Amigo" eind januari 1966 van haar ankers was geslagen en op de Engelse Oostkust was gestrand.

De ankers en de ankerketting werd ter hoogte van Harwich - Engeland, opgevist en op 5 maart 1966 in IJmuiden afgeleverd.

Eind maart 1966 vertrok de "Sepiola" naar de haven van Grimsby - Engeland, om ingezet te worden bij grondboringen ten behoeve van de oliewinning.

Midden mei 1966 werden de werkzaamheden ter hoogte van Grimsby - Engeland, door de "Sepiola" beëindigd en keerde de "Sepiola" terug naar IJmuiden.

Eind juli 1966 vertrekt de "Sepiola" vanuit IJmuiden naar de haven van Lowesoft - Engeland, voor het verrichten van werkzaamheden in de Noordzee.

Van eind juli 1966 tot half oktober 1966 is de "Sepiola" opnieuw vanuit Engeland werkzaam geweest in het Noordzee gebied om een belangrijke bijdrage te leveren aan het onderzoek van de bodem van de Noordzee. De kennis van de samenstelling van die bodem op enkele plaatsen is vooral nodig in verband met het leggen van aardgas leidingen van locaties, waar gas is aangeboord, naar de Engelse kust.

Nadat de "Sepiola" begin van 1966 ook geruime tijd voor onderzoek was ingezet, begonnen kapitein H. Post en zijn mensen op 28 juli vanuit Lowestoft - Engeland, aan een nieuwe periode.

Gedurende zeven weken werd vanuit deze haven gewerkt bij de Haisborough Sands, daarna nog vier weken vanuit de haven van Grimsby - Engeland, voor grondboringen in de nabijheid van de vergane "Sea Gem".

Voor dit onderzoek, waarvoor een Engelse firma de "Sepiola" charterde, werd gebruik gemaakt van twee boor-methoden. Hiervoor voerde de "Sepiola" alle materiaal met zich mee.
 
De accommodatie van de "Sepiola" was voor deze onderzoek-reizen ook uitgebreid. Er werden twee 4-persoonshutten bijgebouwd, zodat de "Sepiola" op deze laatste reis 22 man aan boord kon hebben.
 
Van de Engelse firma waren altijd drie man aan boord, waarbij een geoloog, die de leiding van het gehele onderzoek-project heeft.

Op de locaties, waar geboord moest worden in de zeebodem en waarlangs in de naaste toekomst de pijpleiding ongeveer 1,5 meter diep in de zeebodem komt te liggen, kwam de "Sepiola" telkens voor drie ankers op haar plaats te liggen.

Hiertoe werden vóór twee ankers en achter één anker uitgebracht. In ondiep water werd voor de boringen gebruik gemaakt van een "airlift", waarbij een pijp op de zeebodem werd neergelaten, terwijl via een leiding lucht werd toegevoerd. Het zand werd nu omhoog geblazen en kwam via de pijp aan boord van de "Sepiola", waar het werd opgevangen in zakken. Tot ongeveer 5.5 meter diepte in de zeebodem werd op deze wijze het zand verzameld en aan land gebracht om in het laboratorium te worden onderzocht. Vooral in de ondiepten van de Haisborough Sands werd deze methode veel toegepast.
 
De andere methode hield in, dat een stalen constructie met een betonnen fundatie met behulp van de boom van de "Sepiola" op de zeebodem werd neergelaten.
Op afstand kon vervolgens de 'boor' worden bediend, die van de constructie uit ruim 6 meter in de zeebodem kon doordringen om het zand in een pijp op te vangen. Vervolgens werd de gehele constructie weer aan boord gehesen en werd het zand uit de pijp verwijderd en opgevangen in een zak voor transport naar het laboratorium aan de wal.

Voor het vaststellen van de posities, waar geboord moest worden, had de "Sepiola" Decca- plaatsbepalings- apparatuur aan boord. Deze installatie kwam ook goed van pas, toen de "Sepiola" speciale stroommeet-boeien had te leggen.

Deze werden gebruikt om de stroom in de Noordzee te bepalen op die plaatsen, waar reeds met het leggen van pijpleidingen is begonnen. Ook onze duikers aan boord van de "Sepiola" zijn regelmatig tijdens de werkzaamheden in actie geweest. Zij voerden telkens bodem onderzoekingen uit en maakten daarbij zoekslagen van 25 tot 50 meter om de toestand van de Noordzee bodem te verkennen en daarover te rapporteren.

1967

Eind april 1967 werd door de "Sepiola" een duik onderzoek uitgevoerd op het wrak van de bij Den Helder gezonken Urker kotter "Maartje".

3 juli 1967 strandde de "KW. 164 Helena" op een strekdam nabij Petten. De schipper van de "Helena" weigerde eerst sleepboothulp en dacht met hulp van andere kotters vlot te kunnen komen. Door het hoge water werd de "Helena" 's nachts nog hoger op de strekdam gewerkt en werd toch sleepboothulp gevraagd.
Op 5 juli 1967 ondernam de "Titan" een poging om de "Helena" vlot te brengen, dit leek in eerste instantie te slagen maar de "Helena" bleek door de stranding gaten in de bodem te hebben opgelopen en zonk onmiddellijk na het vlot brengen.

Vanaf 7 juli 1967 begon de "Sepiola", nadat er een overeenkomst met de verzekeraar van de "KW. 164 Helena" was bereikt, met werkzaamheden om de deels gezonken kotter "KW. 164 Helena" gereed te maken om te gaan lichten.

27 juli 1967 was de "Sepiola" te Amsterdam.

Op zaterdag 29 juli 1967 werd de "Helena", na te zijn gelicht nabij Petten, hangende in de takels van de bok "Magnus III" IJmuiden binnengebracht.

De "Magnus III" was gehuurd door Wijsmuller om met assistentie van de "Sepiola" de "Helena" te lichten.

Vanaf half augustus 1967 was de "Sepiola" actief met wrakopruiming in de havenmond van IJmuiden. En op de Noordzee ter hoogte van IJmuiden.
Deze werkzaamheden bleven doorgaan tot december 1967.

1968

De "Sepiola" was vanaf 5 tot 8 februari 1968 ingezet bij de berging van de "Pollux"(1959 – 1.326 Brt.) in de Averijhaven van IJmuiden. De "Pollux" was lek gestoten bij de Baloeran-boei buitengaats en verkeerde in zinkende toestand. Door de "Hector", "Nestor" en "Assistent" werd de "Pollux" aan de grond gezet in de averij haven. En werd begonnen de lading papier en stukgoed van de "Pollux" te lossen en de gaten te dichten met behulp van duikers die werkten vanaf de "Sepiola".

Februari en maart 1968 was de "Sepiola" ingezet bij IJmuiden met wrakopruiming en het verwijderen van meerstoelen.

In korte tijd heeft de "Sepiola" begin juni 1968 in IJmuiden een airconditioning installatie ingebouwd gekregen, terwijl de voormast van een zaling en een zwaardere laadboom werd voorzien.

Hiertoe werd de lier van een plek dicht voor het dekhuis verplaatst naar het voordek. De "Sepiola" is hierdoor in staat 10-tons boeien aan dek te halen en weer te water zetten.

12 juni 1968 vertrok de "Sepiola" vanuit IJmuiden naar Zuetina - Libië, waar ze na een reis van veertien dagen op 26 juni 1968 arriveerde bij Zuetina op de kust van Libië, om daar gedurende enige maanden werkzaam te zijn.

Voor Occidental Oil zal de "Sepiola" in en bij deze nieuwe haven, waar sinds eind vorig jaar ook de "Friesland" in actie is om tankschepen op de boeien af te meren, werkzaam zijn met tal van werkzaamheden, onder andere voor het leggen en het lichten van boeien.

In aard en omvang neemt het werk in Occidental Oil's nieuwe oliehaven Zuetina aan de Noordkust van Libië nog steeds toe.

Tankschepen worden in de "berths" geholpen om daar de ladingen olie aan boord te laten stromen, bebakening, meerboeien, leidingen en slangen worden gecontroleerd en onderhouden.

En het omliggende zeegebied wordt in kaart gebracht. Met dit werk zijn de "Friesland", "Sepiola" en "Cornelis Willem" belast.

De "Friesland" verleent vooral assistentie bij het afmeren van de tankschepen in de twee conventionele berths.
 
Er zijn thans drie meer- gelegenheden in gebruik om de olie uit Libië aan boord te nemen, naast de twee conventionele berths is er nog een monoboei.

De drie kikvorsmannen van de "Sepiola" en de duiker van de "Friesland" zijn op deze plaatsen, waar de tankschepen worden afgemeerd, ook veel werkzaam wanneer boeien of slangen moeten worden verwisseld.
Daarbij moet vaak op grote diepte — zo'n 25 tot 30 meter — worden gewerkt om de slangen onder water te verwisselen. Soms worden de slangen ook aan dek van de "Sepiola" verwisseld. Daarnaast is de "Sepiola"-bemanning veel in actie bij het repareren en onderhoudswerk van de bebakenings boeien, de mono boei, de meerboeien, meerdraden, afsluiters en ook het klaren van schroeven van launches en tankschepen.

1969

7 februari 1969 kapseisde de motorbarkas "Wafia" op de rede van Zuetina, de opvarenden kwamen allen in het water terecht. De "Friesland", "Sepiola" en de "Cornelis Willem" starten direct een reddingsactie en slaagden erin om 4 van de 5 opvarenden te redden waaronder de mooring-master van Occidentel Oil.

De vijfde opvarende werd ondanks een uitgebreide zoekactie niet gevonden.

Half juni 1969 vertrok de "Sepiola" vanuit Zuetina - Libië, naar IJmuiden, op 27 juni 1969 arriveerde de "Sepiola" in de haven van IJmuiden.

In totaal was de "Sepiola" een jaar werkzaam geweest in Libië.

Half augustus 1969 werd de "Sepiola" in Harlingen gedokt voor onderhoud.

Begin september kwam de "Sepiola" weer vanuit Harlingen in IJmuiden en werd klaargemaakt voor vertrek naar Ras Lanuf - Libië, waar de "Sepiola" werkzaamheden zal gaan verrichten bij het installeren van een overslagboei.

10 september 1969 vertrok de "Sepiola" vanuit IJmuiden en arriveerde eind september ter hoogte van Ras Lanuf - Libië.

Na beëindiging van de werkzaamheden bij Ras Lanuf, Libië - werd de "Sepiola" in december 1969 opgelegd te Malta.

1970

Eind februari 1970 werd de "Sepiola" in de haven van Malta weer vaarklaar gemaakt en vertrok naar de haven van Porto Torres - Sardinië.

Om werkzaamheden te gaan verrichten bij de installatie van een S.B.M. Boei. (zie verhaal "Sepiola").

Na beëindiging van de werkzaamheden vertrok de "Sepiola" vanuit Porto Torres – Sardinië, naar IJmuiden. Waar de "Sepiola" op 8 september 1970 arriveerde.

1971

1972

10 juni 1972 strandde de "Colm Padraig"(geen gegevens bekend)ter hoogte van Calway - Ierland, en word door de bemanning verlaten.

De "Sepiola" vertrekt op 19 juni 1972 vanuit IJmuiden naar de positie van de "Colm Padraig".

Op 29 juni 1972 slaagt de "Sepiola" er in de "Colm Padraig" vlot te brengen en nabij Calway Old Dock weer aan de grond te zetten voor het aanbrengen van een Patch.

1973

In 1973 werd de "Sepiola" van de vlootsterkte afgevoerd.

Nieuwe eigenaar werd J. Lourens, eigenaar van het te IJmuiden gevestigde sportvis bedrijf 'de Bruinvis'.

De "Sepiola" werd ontdaan van de laadboom en geschikt gemaakt om als recreatie vaartuig voor de sportvisserij te dienen. De naam bleef ongewijzigd.

De "Sepiola" werd in 1991 weer verkocht door J. Lourens aan Dhr. J.E.C. Frequin in Diemen. (handelaar).

Op 22 juli 1993 is de teboekstelling van de "Sepiola" doorgehaald.

De "Sepiola" is later in ontmanteld toestand aangetroffen en als casco te koop aangeboden. Mast en accommodatie waren geheel verwijderd.

Uit informatie die bekend was zou het casco van de "Sepiola" in Diemen, Hoorn of in de provincie Groningen zou liggen en dat zij geschikt zou worden gemaakt voor de zeil-charter vaart.

Na een lange zoektocht werd het casco van de "Sepiola" in april 2011 aangetroffen in een insteekhaven van scheepswerf Ceelen te Leeuwarden.

18 juni 2011 bracht Piet Zwart – veren Piet – een bezoek aan de "Sepiola", zie verhaal, en ontmoette de eigenaar Dorus Benjamin 27 jaar oud en sinds 2007 eigenaar van de "Sepiola". Hij kocht de  "Sepiola" 4 jaar geleden voor 25.000 euro.

Het is zijn bedoeling dat de "Sepiola" weer wordt opgebouwd en als zeilschip in de vaart komt.

Juni 2013 werd de "Sepiola" gespot, afgemeerd, bij Scheepssloperij Theo Reitsma in Kootstertille.

Wegens achterstand in de betaling van havengelden was de "Sepiola" vanuit Leeuwarden verhaald naar de kade van Scheepssloperij Theo Reitsma in Kootstertille.

Eind 2013 kwam er een noodkreet, omdat Scheepssloperij Theo Reitsma, failliet was moest er geld op tafel komen van de curator, in totaal een bedrag van z'n 3000 euro.

En als dit bedrag niet op tafel kwam zou de curator beslag laten leggen en de "Sepiola" verkopen voor de sloop of laten slopen.

Piet Zwart startte nog een inzamelings- actie op, maar of dit heeft geholpen is mij niet bekend.